Intro over het zwart in relatie tot de kunst van Martin Sjardijn.
FENOMENEN VAN HET ZWART.
De ruimtesoorten waar Martin Sjardijn mee werkt:
virtuele ruimte,
mentale ruimte,
elektronische ruimte,
buitenaardse ruimte.
Stilte in de mentale ruimte (leegte) als voorwaarde voor een waarlijk
konstruktivistische kunst.
Er is een parallel met de virtuele ruimte, die ook de mogelijkheid biedt om het artistieke scheppingsproces te voltrekken vanuit de leegte. Met wat fantasie en inlevingsvermogen kunnen we de planeten en de sterren wegdenken, waardoor
ook de buitenaardse ruimte de karakteristieken van het Tabula Rasa gaat krijgen.
Dankzij de assumptie, dat de buitenaardse ruimte als leegte kan worden opgevat
(wat overigens wil zeggen, ruimte van een afwezige aanwezigheid, in de volksmond aangeduid als holte, --- weet je dat de basismetafoor voor leegte de
leeggeschonken kruik is, met welk beeld dus aangegeven wil zijn, dat leegte
altijd de moge-lijkheid van volte insluit? Dit spel van leegte en volte ligt
aan de basis van het spel van de Godsuitdaging van de mysticus --- van jezelf
een lege kruik maken en zo God uitdagen om toe te treden --- het is ook het spel
met de fantasie van de romantici, Novalis: fantasie is het kind van de nacht
en wordt gedragen door de onzichtbare energie van de doden --- wat te denken
van de expressionistische dichter Georg Trakl: In mir ist's unheimlich dunkel, befasst bin ich von der Angst, aber leise steht in mir auf, das Kreuz.
Verder hebben we nog de bijdrage van Edgar Morin in de bundel: Rueckblik auf
das Ende der Welt. Is de ruimte wel de leegte, of moeten we ons toch nog behelpen
met het niets?)
Martin heeft de leegte van de mentale ruimte bereikt in 1985, toen hij zich definitief heeft losgemaakt van de stijlinvloeden en de modes van de heersende kunst.
Toen begon de ontwikkeling van de kleurenbol.
In zijn redenatie doemt nu de gelijkstelling op van de ruimte-soorten, waarbij de algemene equivalent van de mentale ruimte, de virtuele ruimte en de buitenaardse ruimte de leegte is.
Hier wil ik wat opmerkingen over maken. De elektronische ruimte en de buitenaardse ruimte onderscheiden zich van de mentale ruimte door middel van het beckketsiaanse hand-oog principe. Dat wil zeggen, dat in de elektronische ruimte en de buitenaardse ruimte de kunstenaar de ogen open heeft en kijkend kan reflecteren op wat de hand doet, c.q. maakt. Direct na de eerste, al dan niet toevallige materialisering, ook al gaat het maar om een punt, is er een uitwendigheid geschapen, die zich leent voor extensie, uitwissing, correctie, verfraaiing etc etc. De mentale ruimte op zich genomen kent een dergelijk hand-oog principe niet. Zij is niet bi-lateraal, maar uni-lateraal. (al dit leent zich natuurlijk voor verdere uitwerking) Een tweede verschil is gelegen tussen de virtuele ruimte en de buitenaardse, maar ook de virtuele en de scenische, of landschappelijke ruimte hier op aarde. Dat verschil heeft alles te maken met de lichamelijke betreedbaarheid. De virtuele elektronische ruimte hoort wezenlijk tot de grote familie van de media. Ze behoort tot dat gigantische domein van het tussen, het inter, -inter-esse, dat zich vanaf de eerste manifestatie van het inter en het mediale, dat wil zeggen sinds de eerste engelen, kenmerkt door het feit, dat het afgesloten is voor het menselijke lichaam. De ruimte waaruit de boodschap komt, de ruimte van herkomst van de annunciatie ---het kind Jezus moet volgens Thomas van Aquino verwekt zijn door middel van een influistering in het oor van Maria door de engel Gabriel--- nou ja, je snapt het wel, uit het universum van de inter-esse kunnen wel data komen, maar er komt niets lichamelijks uit, dus ook geen zaad. Dus de ruimte van de media is fysiek ontoegankelijk. Binnen het universum van de toegankelijke ruimte vormt zij een enorme, welhaast onbegrensde ontoegankelijke holte.
Alle illusies omtrent de drie-dimensionaliteit, de illusie van de toegankelijkheid en wat dan ook, is niets anders dan het bedrieglijke effect van een hooggradige ontwikkeling van het interface. Eyescope, handglove, datasuit en wat dies meer zij, zij houden op op het oppervlak van het lichaam en het oppervlak van de zintuigen. Nu kan een verregaande ontwikkeling van het interface echter wel betekenen, dat de dataexchange niet zijn finale punt zal vinden op het oppervlak van het lichaam. Wij kunnen ons voorstellen, dat de datapoorten direct gekoppeld zullen worden aan het zenuwge-stel en dat daarmee de poorten van de zintuigen worden overgesla-gen. Ook is het denkbaar, dat dankzij deze kortsluiting de illusie gewekt kan worden van een lichamelijk handelen in cyberspace. Het is dus zeer wel denkbaar, dat het interface zich zal evolue-ren tot iets, dat indringt in onze lichamen. Maar ondenk-baar blijft het omgekeerde, nl. dat onze lichamen toe zullen kunnen treden tot de elektronische ruimte. We hebben met cyberspace dus te maken met een ruimte waarvan wij mensen als levende lichame-lijke wezens tot in de eeuwigheid uitgesloten zullen zijn. (Net zoals dat het geval is met de hemel, waarvan wij mensen in principe uitgesloten zijn als lichamelijke wezens.)
Conclusie: de gelijkstelling van de mentale, de elektronische en de buitenaardse ruimte rond de algemene equivalent van de leegte is dunkt me, een beetje te oppervlakkig.
Desondanks is er, dat was tenminste mijn plan voor de lezing van 23 april, wel een heleboel te zeggen over het zwart, maar dan vat ik het zwart op als de mogelijkheidsvoorwaarde voor de verschijning, en overigens ook als de mogelijkheidsvoorwaarde voor de metamorfose.
Zwart, dat heeft natuurlijk sterke connotatieve verbindingen met de leegte van de mentale, de buitenaardse en de elektronische ruimte. Alleen wordt het accent niet zozeer gelegd op de ruimte-karakteristiek ervan, alswel op de status van oppervlak. Oppervlak met diepte, een beschrijving, die dus recht doet aan de fysieke definitie van het interface. Interface is ook het ik in de hand-oog configuratie van het scheppingsproces, een ik, dat ontstaat uit het wisselspel tussen wat de hand maakt en wat de geest(mentale ruimte) daarop reflecteert. Hetzelfde geldt overigens voor het schrijven, het scheppend schrijven, niet het beschrijven, dat als produkt van de hand-oog configuratie, zowel de wereld, als het 'zelf' veranderd, maar waarvan de eerste inscriptie ontstaat uit de ervaring van de ontoegankelijkheid van het zwart, hoe intensief men het ook belegert.
Zwart wordt algemeen voorgesteld als iets, dat het einde connoteert. Zo opgevat ontvangt het zijn betekenis uit een heel specifieke constellatie, nl. de euclidische ruimte, toegerust met een lineaire tijd. Overigens is het zo, dat als de ruimte euclidisch is, dat dan de tijd noodzakelijkerwijs lineair moet zijn. (als ik me hierin vergis, dan hoor ik graag de correcties en de correcte beschrijvingen van onze in de natuurkunde bekwaamde vrienden). Volgens mij zijn er andere tijden, bijv. de cirkelvormige, of spiraalvormige tijd van het lot (het lot keert altijd terug, niet alleen volgens Nietzsche: Ewige Wiederkehr, maar ook volgens de denkers van de renaissance, de barok en natuurlijk de oude Grieken) In zijn boek, de Bruiloft van Cadmus en Harmonia, legt Roberto Calasso keurig uit, dat naarmate de beelden bij de oude grieken minder uitgekristalliseerd waren, d.w.z. dat ze geen vaste gelaatstrekken of lichaamsvormen kregen en dus niet bepaald, of gedetermineerd konden worden en ook eigenlijk geen vast karakter hadden, dat ze dan dichter bij de oorsprong van het raadsel stonden, d.w.z. dichter bij het lot. De griekse godin van het lot, Ananke, had geen gestalte. En als zodanig kunnen we haar dus toevoegen tot de rij van fenomenen van het zwart. Ze had wel attributen, bijvoorbeeld het net. En hoe strakker het net van het leven door Ananke werd aangetrokken, hoe minder speelruimte het leven kreeg, en hoe duidelijker het lot zich dus ging aftekenen. Haar tweede attribuut was de ring, of de ketting. De ketting was een variant van het net; van de knopen van het net gat het naar de verketening, vandaar gaat het naar de ketting.... het lot houdt ons vast als een net en als een ketting en van de ketting gaat het naar de krans. De krans is de vreugdevolle cirkelvormige ketting, zij symboliseert de esthetisering, het mooi maken van het lot, wat de opgave is van de kunst, en als kroon-krans bekroont zij de openbaring van het lot in de figuur van de voltooiing, die overigens tevens het einde betekent en de aanvang van een nieuwe cyclus van het lot. De kroon-krans is de definitieve bepaling, de determinatie van Ananke, maar wie wil dat nou?
Bij Meister Eckhart wordt er gesproken over het unwesene. Het unwesene is de vertaling van de donkere wolk wat de centrale metafoor was in het oeuvre van Dionysos de Aeropagiet. Bij Johannes van het Kruis en Theresia van Avila geldt de metafoor van de donkere nacht. Bij hen geldt dus de vreugde van de verduistering, de afwezigheid van het licht (en daarmee dus ook de afwezigheid van de waarheid, die immers altijd licht is, of op zijn minst straalt, goddeloze zelfgenoegzaamheid van het definitieve, omdat het stralende licht van de waarheid een einde poogt te maken aan de verrukking van het mogelijke en diens verduisteringsmacht van de werkelijkheid, maar a la.) Unwesene, dat wat er niet is, dat wat niet is, dat wat niet gelicht, belicht en verlicht wordt, dat wat zichzelf niet ver-liest in de verdoemde eigenwaan van de uitstraling, dat is alles wat nog niet geboren is, wat in de oorsprong ligt te wachten op zijn genese. Het is het volle en krioelende domein van alles dat tot existentie zou kunnen komen, kortom het virtuele paradijs van het mogelijke. Maar omdat wij weten, dat er dingen zijn, die gelicht, belicht, verlicht worden en ook nog het lef hebben om uit-te stralen, kortom omdat er dingen zijn die zich aan ons opdringen met hun overmatige en zinloze existentie, zal er een praktijk van de verduistering moeten plaatsvinden, van de uitwissing, of om met de schilder te spreken, de overschildering. Welaan, dit proces van overschilderen, van zwart maken, ook in de figuurlijke zin, brengt ons in het bereik van de oorsprong en in het mogelijkheidsbereik van de metamorfose. Tegen het de-finite van het licht belichaamt het zwart van de verduistering de weg naar de verandering en de gedaanteverwisseling.
Voor de Joden, maar ook voor de Taoisten betekent het zwart hetzelfde als nog niet geboren zijn. Zwart is de kleur van het ongeborene. Het Hebreeuwse woord voor zwart betekent tegelijker-tijd: baarmoeder. Ook voor de Tao geldt iets dergelijks. Maar bij hen is het meer, dat wij in de metamorfoserende keten van de voorstellingen omtrent ons ik, de wereld en de waarheid, gedragen worden door iets onbenoembaars, en dat is de Tao. Ik denk, dat wij ook de Tao voor moeten stellen als iets zwarts. Zoiets als het draagvlak, de waag, de weegschaal van het mogelijke, de gebeurtenis en de kans.
Dan hebben we nog het barokke niets. Voor de Barok, met name de Pater Jezuiten is de verduistering, het zwart maken, de jubelende kracht van de leugen. De hoedster van de leugen is de schoonheid. En leugen en schoonheid spelen hun spel met de passies en de verlangens van de mensen, omdat zij weten dat er geen verifieer-baar achterland is. (behalve misschien de desillusie, maar wie verlangt er nou naar de desullusie?) Gracian, een beroemde pater Jezuit uit het Spanje van de zeventiende eeuw, zei: hoe we het ook draaien en wenden, de leugen is schoner dan de waarheid, ................ en wij hebben onze talloze depressieven, verknocht aan de waarheid, die dit eigenlijk zouden moeten bevestigen. De Jezuiten spelen met het idee, dat God onzichtbaar is, zelfs geen licht, dus zwart, en op dit zwart kan de voorstelling verschijnen, maar de voorstelling kan er zich niet op beroepen de ware representatie van het zwart te zijn, hoe zou ze dat ook moeten doen? Wil zij werken, of een maatschappelijke kracht hebben, dan moet diegene, die de voorstelling maakt, gebruik maken van de referentieloosheid van de voorstelling, dat wil zeggen haar fundamentele bepaling als leugen (d.w.z. niet verifieerbaar), wat inhoudt dat men gaat zetten op de macht van de schoonheid ervan. (Concilie van Trente 16e eeuw over de emotionalisering van de kunst en de vergroting van haar overtuigingskracht).
En dan is er natuurlijk nog de astrofysica. Wat was er voor de BIG BANG? Wat is er in het zwarte gat? Kom op fysici onder ons, slijp je geest eens en vul deze donkere leemte in mijn kennis op!
DE RUIMTE.
Ik denk, dat wij dank zij de virtualiteiten van de media, maar ook van de boekdrukkunst, de euclidische ruimte en de lineaire tijd (de tijd van oorzaak
en gevolg, de tijd van de voorgeschiedenis van de openbaring ...in de franse verlichting dacht men, dat het geheim van de tijd was, dat zij ons aan het einde
van de geschiedenis de waarheid zou openbaren en dat op aarde het paradijs
zou ontstaan, de opgave van de mens was de tijd te versnellen en het paradijs
sneller naderbij te brengen). Ik denk, dat wij uit moeten gaan van een
duele tijd-ruimte, enerzijds euclidisch, scenisch, lichamelijk, oorzakelijk
etc. en anderzijds virtueel, wat zoveel wil zeggen als chaotisch, benaderbaar
met de wetten van de chaostheorie, wat met name impliceert, dat wij acht moeten
gaan slaan op de z.g.n. recurrente tijd, de tijd die terugloopt naarmate wij vooruitgaan. Deze recurrente tijd kunnen we misschien de tijd noemen die het einde verhinderd, omdat, hoe dichter we het einde naderen, de tijd meer terugbuigt en
de andere kant op begint te lopen.
Het einde, oftewel het zwart wordt dus nooit bereikt dankzij een fatale wende,
die besloten ligt in de wetten van de chaostheorie.
Zo zal er dus ook nooit een openbaring komen, of een voltooiing, zoals de verlichtingsfilosofie ons die beloofd heeft.
Tegelijkertijd wordt het zwart gered als oppervlak van het imaginaire, en als oorsprong van het mogelijke. Al dit echter in de hoedanigheid van fundamentele onbetreedbaarheid.
Wat blijft is het zwart als onpeilbaar fond.
Mogelijke startfrasen van mijn lezing bij stroom op 23 april, die echter niet doorgaat en die ik daarom op het bbs gooi. Take your pik en doe er het uwe mee. Ook jij Bert voor wat betreft de fantasma_ over de bestorming van de hemel.
Tussen het werk van Martin en dat van mij bestaat een complexe verhouding. Wij participeren allebei in de stichting Ubique, die zich ten doel stelt kunstwerken op te richten in en kennis te verwerven over de maatschappelijke implicaties van de effecten van de elektronische communicatietechniek. Daarbij inbegrepen die elektronische techniek, die vanaf het moment dat zij haar toepassing vond binnen de communicatie en de informatie borg staat voor de genese van de z.g.n. netwerkruimte, de elektronische ruimte, of beter nog de virtuele ruimte, cyberspace etc. Al dit wordt door ons vanuit verschillende invalshoeken bekeken. Voor mij is het belang van de elektronica, de opkomst van de netwerken, de virtuele ruimtes, de ruimten en de stromen van de informatie gelegen in de impact die het heeft op de positie van de traditionele materiële kunsten van de vormgeving van de leefruimte, d.w.z. architectuur, stedebouw en landschapsdesign. Maar ook op alle kunsten die zich bezighouden met de vormgeving en inrichting van de ruimte van de openbaarheid, de openbare ruimte in onze steden. Het is de openbaarheid zelf (let op, openbaarheid is net een graatje abstracter dan openbare ruimte!), met alle aannames, die in haar concept besloten liggen omtrent de status van de poli-tiek, het sociale en die van de stad, die op dit moment transmu-teert onder invloed van de informatica en de elektronische netwerken.(Getuige daarvan is natuurlijk het nieuwe openbare plein, dat wij met ubique ontworpen hebben in de vorm van het BBS, waarin deze manifest.... atie ver--schijnt.) Het is deze transmutatie van de openbaarheid, van de stedelijke sociale ruimte van de toevallige ontmoeting en van de herrschaftsfreie Dialog (Habermas), naar het bereik van de in- en -uitstralingen van de media, die zijn effecten zal hebben op de uitgangspunten van de architectuur en de stedebouw, op de politiek en op de verschijningsvorm van de steden en op de vorm van ons sociale leven. Het zal ook zijn effecten hebben op de talloze nog niet bestaande werelden die in de maak zijn in de vorm van al dan niet rigide en naïeve utopieen. We zouden ook kunnen zeggen, dat ik een stedebouwkundi-ge/ architect ben, die zich bezighoudt met de elektronica, omdat de elektronica een uitdaging stelt aan het theoretische en ideële gedachtengoed van mijn vak. Voor M.Sjardijn betekent de elektronische ruimte de mogelijkheid van een budgettair aantrekkelijke simulatie van zijn projecten in de buitenaardse ruimte. We kunnen zeggen tot nu nog noodzakelij-kerwijs virtuele projecten, omdat het vaste voornemen is, wanneer budgettair en technisch mogelijk, deze projecten daadwerkelijk in de buitenaardse ruimte te realiseren, en zo in het universum van de banen rond de aarde de concurrentiestrijd aan te gaan met het onduldbare monopolie van de utilitaire en de militaire techniek. Overigens kunnen we het ons niet permitteren om laatdunkend en schamper te doen over virtuele projecten. Virtualiteit zal ongetwijfeld ook het lot worden, als het al niet zover is, van talloze stedebouwkundige voorstellen, die door een versnelling van de transformatie van de legitimerende waardesystemen, het gebrek aan politieke consensus en het ontbreken van een algemeen maatschappelijk aanvaarde esthetische referent, het stadium van de uitvoering nooit zullen halen. Gelukkig maar, wil ik er hier aan toe voegen. Stel je voor, dat alle, of het merendeel van de stedebouwkundige fantasieën zou worden uitgevoerd............ Virtuele projecten mogen echter ook niet onderschat worden wat betreft hun vermogen tot mentale beïnvloeding. De papieren archi-tectuur van een Libeskind, of een Hejduk was tot nu toe zeker geen machteloos gebaar. Hoewel het in deze architectuur niet gaat om virtualiteit in de zin van technische voorafbeelding van een te bouwen ontwerp, dus een instructietekening, en ook niet om een na-afbeelding van een gebouwde werkelijkheid, die in de afbeel-ding wordt geïnterpreteerd en geëvalueerd, gaat het wel degelijk om machtige beinvloedingen van het rijk van de mentale voorstel-lingen, die uiteindelijk min of meer beheerste effecten zullen hebben op de realiteit.(denk aan het Le Corbusiereffect, duizen-den volgelingen hebben decennia lang zijn ideeën gerealiseerd). Van het virtuele gaat een macht uit, een invloed, en haar belangrijkste invloed is de aanvechting van de overigens dood-saaie macht van de realiteit. Iedere goed gelanceerde virtuali-teit, iedere goed geproportioneerde mogelijkheid bezit het vermogen het realiteitsprincipe ten val te brengen. Als het maar in staat is een verlangen te wekken. Dat is het principe van de macht van het virtuele, van de virtuele uitdaging, zoals die al verwoordt werd in de jaren '50 en '60 door de internationale lettristen en de internationale situationisten. De macht van de virtaliteit is de macht van de verandering/veroudering. Bijvoorbeeld is het zo, dat als rijkswaterstaat door een bepaald, misschien wel enigszins ingedommeld gedeelte van Nederland een autosnelweg plant, dat vanaf dat moment de hele situatie van dat gebied veranderd is. Sociale onrust, discussies, politieke confrontaties, etc zijn vanaf dan schering en inslag. En zelfs als de weg niet doorgaat, dan nog zal de getroffen streek niet meer hetzelfde zijn. Ze heeft een diepgaande verandering onder-gaan, terwijl er in feite toch niets gebeurd is. Hetzelfde doet zich voor bij de planning van supermarkten, vliegvelden, havens etc. Als de projecten wel gerealiseerd worden, dan verzorgen zij een razendsnelle veroudering en in ongebruik raken van al die be-staande elementen, die tot dan toe goed functioneerden en de waardering genoten van de bewoners en de gebruikers. Zo doen uiteindelijk science fictionfilms dat ook. De geprojec-teerde nieuwe omgevingen en situaties verouderen de bestaande omgeving waarin ze geïnjecteerd worden. Deze druk tot veroudering, die de virtuele beelden van het ontwerp, het design, de media, de mode, kortom alle virtualitei-ten opleggen aan al het bestaande, deze reëel bestaande druk tot verouderen treft in laatste instantie ook de aarde in haar geheel, daarbij inbegrepen de waarnemingsmodi die met haar te maken hebben en die tot nu toe gedomineerd werden door het perspectief, de cyclus van licht en donker en het paradigma van de betreedbare, toegankelijke sociale scene. Ook in deze verhouding tussen de aarde verlaten en van de aarde houden gebeurt er iets met de oude vertrouwde wereld, ook al wordt er geen enkel project uitgevoerd om de aarde echt achter ons te laten. In die zin kunnen we zeggen, dat het grote globale ecologische project zijn wortels vindt in het sentiment van de fragilisering van de aarde, en dat deze fragilisering zijn oorsprong vindt in de macht van de virtualiteit.
Malewitch.
Het is in eerste instantie de techniek zelf, die als immanent doel in zich draagt de aarde te fragiliseren. En dit niet zozeer als feit, maar als voorstelling. De fragiele aarde is het beeld van de ingelichte, voorgelichte, verlichte, doorgelichte, ingestraalde en doorgestraalde mens van de informatiedata.
Het zit al in de woorden, lichten, lichter worden, stralen, oplichten, omhoog gaan, stijgen, licht afgeven, zweven, engel etc.
Al dat connoteert het verlaten van de aarde door de gewichtloze golfmens, of moet ik zeggen het golvende lichtwezen? De lokroep van het licht is de lokroep van de hemel, uiteindelijk de lokroep van het heil, en het heil is de lokroep van de vervulling, die het smachten instelt naar het ogenblik waarop wij de kroon op ons hoofd kunnen zetten, een diepe zucht kunnen slaken en eindelijk, eindelijk kunnen zeggen: het is volbracht. Een kroon, die door God zeker geweigerd zal worden en onverbiddelijk teruggeschonken wordt aan de mensen, omdat de kroon geen erna kent en onverbiddelijk de hoogmoed straft door een offer af te dwingen. De kroon is het einde en dat kan een eeuwige God zich niet permitteren. Het is moeilijk om het anders te zien. De aarde valt dus ten prooi aan feit, dat we haar te goed hebben gezien en alles wat we hebben gezien, daarmee hebben we in feite afgerekend.
Dat was het grote drama van de surrealisten, van Andre Breton e.d. Voor hen was het onbewuste een onuitputtelijke bron van passies, maar hoe meer ze ervan boven water haalden, hoe meer ze ervan hadden gezien (als je dat al kunt zeggen), beter is, hoe meer ze het hadden geproduceerd (in de zin van zichtbaar maken), hoe meer ze ook met de macht ervan afrekenden. Ananke, mag geen gestalte hebben, als ze onze gemoederen wil kunnen beroeren.
En in die zin waren de surrealisten de moordenaars van de macht van het onbewuste.
In die zin belichaamd Malewitch het moment van het berouw in de schilderkunst. Ik vraag me sterk af, of zijn zwart op zwart, of zijn zwart vierkant niet ontstaan zijn uit een duivelse wil tot verduistering. Zou hij er niet op uit zijn geweest om de wereld van de aan het licht gebrachte voorstellingen te verduisteren, en via deze techniek van de verduistering, die dan praktisch neergekomen moet zijn op een overschilderen, een bedekken, een wil tot onzichtbaarmaken, een andere voorstelling te verdonkeremanen?
Want het ongedaan maken van de fout, het overschilderen, dat is immers de grondfiguur van het berouw.
En het is dit berouw, waarin hij hoogstwaarschijnlijk de schuld op zich nam van de figuratieve schilderkunst van de 19e eeuw, die hem weer de toegang verschafte tot dat oninneembare en onbetreedbare interface van het zwart, waarvoor hij weer zijn bij voorbaat hopeloze beleg op kon slaan.
Mijn stelling is, dat Malewitch de weg terug heeft gezocht naar dat vlak, dat het vermogen van de metamorfose in zich draagt. Een vlak, waar we tot de dag van vandaag nog steeds niet doorheen zijn gekomen, en waarvan de transgressie mij eigenlijk ook behoorlijk rampzalig toelijkt.
Beste Ubiquers, ik daag u uit, om mijn verhaal te onttronen, om het te decomponeren, om het met een flitsende intelligentie voor eeuwig te verbannen naar het rijk der fabelen, of het te laten verschrompelen tot de impotente periferie van uw eigen stralende waarheid.
Don't let me down.
wim