Wim Nijenhuis, Delft, d.d. 27-3-'93
Martin Sjardijn, Den Haag, d.d. 3-4-'93
WN De ruimtesoorten waar Sjardijn mee werkt zijn: virtuele ruimte, mentale
ruimte, elektronische ruimte,
Buitenaardse ruimte.
MS: De volgorde voor mij is belangrijk en ik ga dan ook uit van eerst
de fysieke en mentale ruimte;
dan de buitenaardse ruimte en uiteindelijk de elektronische of virtuele
ruimte (cyberspace).
WN (geeft een titel) Stilte in de mentale ruimte (leegte) als voorwaarde
voor een waarlijk konstruktivistische kunst.
Er is een parallel met de virtuele ruimte die ook de mogelijkheid biedt
om het artistieke scheppingsproces te voltrekken
vanuit de leegte. Met wat fantasie en inlevingsvermogen kunnen we de
planeten en de sterren wegdenken,
waardoor ook de buitenaardse ruimte de karakteristieken van het Tabula
Rasa gaat krijgen.
MS Maar dat blijft toch een lastige zaak is mijn ervaring, juist omdat
de sterren zulke oerbeelden als punten op
een vlak zijn, dat is niet weg te denken. Mondriaan had het er al over.
Sluit maar eens je ogen en "zie" het rood
van de oogleden als je je hoofd richting de zon keert. Altijd zie je
dan een ruis van punten.
In 1986 keek ik met de astronoom Wim Bijleveld in zijn planetarium
database. Ik vroeg hem naar de meest
verweg liggende sterren te reizen in zijn database. Dat ging in simulatie
lichtsnelheden sneller dan de lichtsnelheid
met die Vax-computer. Toen we daar waren aangekomen verzocht ik hem
door te reizen.
Na een tijdje vroeg ik hem achterom te kijken. We zagen toen een vage
kluster van sterren.
Dat waren alle gedefinieerde sterren in de database. Eén druk
op de knop en ze zouden weg kunnen zijn.
In die tijd ontmoette ik eens de Sterrekundige Prof. Oort. Hij stelde
heel plastisch: "In het begin zijn niet alleen
de sterren geschapen maar ook de ruimte". In feite zagen we, voorbij
de sterren, de ruimte die cyberspace heet.
WN Dankzij de assumptie, dat de buitenaardse ruimte als leegte kan worden
opgevat (wat overigens wil zeggen,
ruimte van een afwezige aanwezigheid.
MS Hmmm.... ik denk liever in termen van aanwezige leegte ofwel ruimte! Misschien is de beste aanduiding informatie.
WN In de volksmond aangeduid als holte.
MS Ik denk liever in termen van ruimte als informatie, want een leegte
veronderstelt een omhulsel.
Een holte veronderstelt een begrenzing of grens, zoals de wand van
de grot of fles. Ruimte is onbegrenst
vanwege haar gekromd voorkomen, net zoals de bolvorm van de aarde onbegrensd
bereisd kan worden zo
kan dat ook in de ruimte.
WN --- weet je dat de basismetafoor voor leegte de leeggeschonken kruik
is, met welk beeld dus aangegeven
wil zijn, dat leegte altijd de mogelijkheid van volte insluit?
MS Dit gaat ook uit van een context, die ik niet ken of zomaar aanneem
in mijn opvatting van ruimte als informatie.
Het schijnt lastig te zijn feiten zondermeer teaanvaarden voor de meesten.
Vroeger kon ik ook niet gemakkelijk
aanvaarden dat buiten de ruimte het niets is. Wat is dat dan vroeg
ik mij af. Het antwoord is gewoon niets.
WN Dit spel van leegte en volte ligt aan de basis van het spel van de
Godsuitdaging van de mysticus --- van jezelf
een lege kruik maken en zo God uitdagen om toe te treden --- het is
ook het spel met de fantasie van de romantici,
Novalis: fantasie is het kind van de nacht en wordt gedragen door de
onzichtbare energie van de doden --- wat te
denken van de expressionistische dichter Georg Trakl: In mir ist's
unheimlich dunkel, befasst bin ich von der Angst,
aber leise steht in mir auf, das Kreuz. Verder hebben we nog de bijdrage
van Edgar Morin in de bundel: Rueckblik
auf das Ende der Welt. Is de ruimte wel de leegte, of moeten we ons
toch nog behelpen met het niets?)
MS Je veronderstelt dat ruimte niet niets is en dat ben ik met je eens.
Het niets is geen ruimte noch iets anders.
Mijn uitgangspunt (basis is het niets, de ruimte neem ik aan als iets.
WN Jij hebt de leegte van de mentale ruimte bereikt in 1985, toen je
je definitief losmaakte van de stijlinvloeden
en de modes van de heersende kunst. Toen begon de ontwikkeling van
de kleurenbol.
MS Ik was vanaf dat moment in staat de ruimte te nemen en een idee te
kennen en ontwikkelen.
Daarmee was ik los van pragmatische overwegingen waarmee de meeste
van ons zijn behept.
WN In je redenatie doemt nu de gelijkstelling op van de ruimtesoorten,
waarbij de algemene equivalent van
de mentale ruimte, de virtuele ruimte en de buitenaardse ruimte de
leegte is.
MS Dat is overdreven... De mentale ruimte kan natuurlijk nooit geheel
leeg (niets) zijn net zo min als de buitenaardse
ruimte leegt (niets) kan zijn. Het niets slechts is leegte en afwezigheid.
De mentale ruimte wordt, ook als is ie ontdaan van de meeste invloeden
Permanent gevuld door fantasieën of zoals de klassieken dat zeiden
aandoeningen van de ziel.
Als men zich mentaal kan ontdoen van (de meeste) invloeden (doormiddel
van sublimatie) en men een zuivere
mentale ruimte creëert, dienen zich voor het eerst autonome ideeën
aan. Dezen zijn grotendeels ontdaan van de
belasting van het verleden.
WN Hier wil ik wat opmerkingen over maken. De elektronische ruimte en
de buitenaardse ruimte onderscheiden
zich van de mentale ruimte door middel van het Beckketsiaanse hand-oog
principe. Dat wil zeggen, dat in de elektronische ruimte en de buitenaardse
ruimte de kunstenaar de ogen open heeft en kijkend kan reflecteren op wat
de hand doet,
c.q. maakt. Direct na de eerste, al dan niet toevallige materialisering,
ook al gaat het maar om een punt, is er een
uitwendigheid geschapen, die zich leent voor extensie, uitwissing,
correctie, verfraaiing etc etc.
MS Okay dat deel ik met je ja. Als schilder heb ik veel ervaring opgedaan
met dat oog-hand gebeuren en er ook
veel over nagedacht. Er schuilen veel Narcistische gevaren in dat oog-hand
mechanisme bij de naïeve schilder. De meest interessante ervaring
met dat fenomeen oog-hand had ik 1in 1991 op de TU-Delft. Met Jouke Verlinden
werkte ik
aan het kleursysteem in een virtual reality omgeving. Daarbij maakten
we gebruik van een dataglove met tactiele feedback d.m.v. luchtdruk. In
de verder lege wereld bevonden zich een aantal primitieven, die ik zonder
achterom te kijken
met de dataglove achter me plaatste. Daarna pas keek ik om en zag het
resultaat. Daarvoor taste ik als het ware in
het nog niet bestaande, nog niet geziene, geen informatie het oog was
afwezig, maar ik wist wel wat er gebeurde.
WN De mentale ruimte op zich genomen kent een dergelijk hand-oog principe
niet. Zij is niet bi-lateraal,
maar uni-lateraal. (al leent zich dit natuurlijk voor verdere uitwerking)
MS Freud zou het daarmee niet eens zijn geweest lijkt me. Immers het
vergt behoorlijk wat (hand)vaardighand
om het onderbewuste te kennen en naar believen te bevrijden van ongerechtigheden.
In die zin is de binnenruimte net zo goed te bewerken als de buitenruimte
met de mentale psychoanalytische hand.
WN Een tweede verschil is gelegen tussen de virtuele ruimte en de buitenaardse,
maar ook de virtuele en de scenische,
of landschappelijke ruimte hier op aarde. Dat verschil heeft alles
te maken met de lichamelijke betreedbaarheid. De virtuele elektronische
ruimte hoort wezenlijk tot de grote familie van de media. Ze behoort tot
dat gigantische domein van het
tussen, het inter, -inter-esse, dat zich vanaf de eerste manifestatie
van het inter en het mediale, dat wil zeggen sinds de eerste engelen, kenmerkt
door het feit, dat het afgesloten is voor het menselijke lichaam. De ruimte
waaruit de boodschap komt,
de ruimte van herkomst van de annunciatie ---het kind Jezus moet volgens
Thomas van Aquino verwekt zijn door middel van een influistering in het
oor van Maria door de engel Gabriel--- nou ja, je snapt het wel, uit het
universum van de
inter-esse kunnen wel data komen, maar er komt niets lichamelijks uit,
dus ook geen zaad.
MS Waarom maak je je toch zo druk over dat lichaam, de materialiteit,
die kan toch immers ook als een duivelse zinsbegoocheling worden opgavat.
Descartes overwoog dat in elk geval. Ook materialiteit kan opgevat worden
als informatie. Voor de tastzin bijvoorbeeld, maar ook voor het oog.
Sterren zijn voor het lichaam onbereikbaar, echter niet voor het oog.
WN Dus de ruimte van de media is fysiek ontoegankelijk.
MS Och men kan ook voelen met het oog en kijken met de hand. Zo zijn
de media toegankelijk met het oog.
Wat maakt het uit met welk middel men zich toegang verschaft als men
maar toegang heeft. Die merkwaardige scheiding die men nog steeds wil maken
tussen lichaam en geest is een beetje achterhaald. Het gaat uiteindelijk
om informatie,
met welk middel dan ook, oog of hand of beide. Binnen het universum
van de toegankelijke ruimte vormt zij een enorme, welhaast onbegrensde
ontoegankelijke holte. Alle illusies omtrent de drie-dimensionaliteit,
de illusie van de toegankelijkheid
en wat dan ook, is niets anders dan het bedrieglijke effect van een
hooggradige ontwikkeling van het interface.
Eyescope, handglove, datasuit en wat dies meer zij, zij houden op op
het oppervlak van het lichaam en het oppervlak van de zintuigen. Nu kan
een verregaande ontwikkeling van het interface echter wel betekenen, dat
de dataexchange niet zijn
finale punt zal vinden op het oppervlak van het lichaam. Wij kunnen
ons voorstellen, dat de datapoorten direct gekoppeld zullen worden aan
het zenuwgestel en dat daarmee de poorten van de zintuigen worden overgeslagen.
Ook is het denkbaar,
dat dankzij deze kortsluiting de illusie gewekt kan worden van een
lichamelijk handelen in cyberspace. Het is dus zeer wel denkbaar, dat het
interface zich zal evolueren tot iets, dat indringt in onze lichamen. Maar
ondenkbaar blijft het omgekeerde,
nl. dat onze lichamen toe zullen kunnen treden tot de elektronische
ruimte. We hebben met cyberspace dus te maken met een ruimte waarvan wij
mensen als levende lichamelijke wezens tot in de eeuwigheid uitgesloten
zullen zijn. (Net zoals dat het
geval is met de hemel, waarvan wij mensen in principe uitgesloten zijn
als lichamelijke wezens.) Conclusie: de gelijkstelling van de mentale,
de elektronische en de buitenaardse ruimte rond de algemene equivalent
van de leegte is dunkt me, een beetje
te oppervlakkig.
MS Het zijn allen ruimtesoorten waaruit informatie komt of kan komen.
En omdat ruimte "iets is heeft het ook een kleur.
De ruimte tussen de sterren is zwart, kijk maar. Wat mij bezighoud
is het feit dat er in de nabije Buitenaardse ruimte zoveel ruimte is. Ook
al vallen er momenteel al duizenden satellieten rond de aarde. Voor wat
betreft onze vakgebieden,
beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst is de aarde af en nog slechts
In de marche valt er wat te doen met behulp van 19e eeuwse mechanistiche
technieken. In een tijd van revolutionaire miniaturisering die zijn weerga
niet kent is er een zee
van binnenruimte onstaan in de bestaande architectuur. Het zou me niks
verbazen als er nog ruimte zat over is als de helft van de grote steden
wereldwijd zou worden afgebroken. De laatste opslagcapaciteit van de huidige
harddisks 5 gigabytes is
heel gewoon. Als ik ambitieus architect was in deze tijd zou ik liever
meewerken aan de architectuur van cyberspace of het nieuw te ontwerpen
International Space Station, of een Maanbasis. Maar een narcistisch slaaf
te zijn van projectontwikkelaars
(waarover Jan Wolkers laatst opmerkte dat '...p.o.'s, ...die niet eens
meer in de hel worden toegelaten...') en slechts in de
marge iets van de nieuwe technieken te mogen toepassen ligt mij dan
niet. Je ziet de laatste jaren bijvoorbeeld hoe
architecten aan gewichtloosheid en ruimtevaart ruiken door vloeren
wat te instabiliseren of een plafond als vloer en
omgekeerd aanduiden. Dat soort halfslachtige onzin is natuurlijk niets
vergeleken bij wat er werkelijk aan spannende
zaken gaande zijn en mogelijk is. Nogmaals DE AARDE IS AF.
WN Desondanks is er, dat was tenminste mijn plan voor de lezing van
23 april (1993), wel een heleboel te zeggen over
het zwart, maar dan vat ik het zwart op als de mogelijkheidsvoorwaarde
voor de verschijning, en overigens ook als de mogelijkheidsvoorwaarde voor
de metamorfose. Zwart, dat heeft natuurlijk sterke connotatieve verbindingen
met de leegte
van de mentale, de buitenaardse en de elektronische ruimte. Alleen
wordt het accent niet zozeer gelegd op de ruimtekarakteristiek ervan, alswel
op de status van oppervlak. Oppervlak met diepte, een beschrijving, die
dus recht doet
aan de fysieke definitie van het interface. Interface is ook het ik
in de hand-oog configuratie van het scheppingsproces, een ik, dat ontstaat
uit het wisselspel tussen wat de hand maakt en wat de geest (mentale ruimte)
daarop reflecteert. Hetzelfde
geldt overigens voor het schrijven, het scheppend schrijven, niet het
beschrijven, dat als produkt van de hand-oog configuratie, zowel de wereld,
als het 'zelf' veranderd, maar waarvan de eerste inscriptie ontstaat uit
de ervaring van de
ontoegankelijkheid van het zwart, hoe intensief men het ook belegert.
MS In mijn werk echter vat ik zwart op als de kleur van de natuurlijke
ruimte. De ruimte in wezenlijke zin. Ook de
kunstmatige ruimte die men tegenwoordig cyberspace noemt is zwart.
De mentale ruimte is ook zwart, doe maar eens je ogen dicht of gewoon een
hand voor je ogen. Dan "zie" je het zwart met daarin de nagloeiende beelden
van de omringende
realiteit of fantasiebeelden. De ruimte tussen die beelden (net zoals
de ruimte tussen de sterren) is donker naar zwart.
WN Zwart wordt algemeen voorgesteld als iets, dat het einde connoteert.
Zo opgevat ontvangt het zijn betekenis uit een
heel specifieke constellatie, nl. de euclidische ruimte, toegerust
met een lineaire tijd. Overigens is het zo, dat als de ruimte euclidisch
is, dat dan de tijd noodzakelijkerwijs lineair moet zijn. (als ik me hierin
vergis, dan hoor ik graag de correcties en
de correcte beschrijvingen van onze in de natuurkunde bekwaamde vrienden).
Volgens mij zijn er andere tijden, bijv. De cirkelvormige, of spiraalvormige
tijd van het lot (het lot keert altijd terug, niet alleen volgens Nietzsche:
Ewige Wiederkehr,
maar ook volgens de denkers van de renaissance, de barok en natuurlijk
de oude Grieken) In zijn boek, de Bruiloft van
Cadmus en Harmonia, legt Roberto Calasso keurig uit, dat naarmate de
beelden bij de oude Grieken minder uitgekristalliseerd waren, d.w.z. dat
ze geen vaste gelaatstrekken of lichaamsvormen kregen en dus niet bepaald,
of gedetermineerd konden
worden en ook eigenlijk geen vast karakter hadden, dat ze dan dichter
bij de oorsprong van het raadsel stonden, d.w.z. dichter
bij het lot. De Griekse godin van het lot, Ananke, had geen gestalte.
En als zodanig kunnen we haar dus toevoegen tot de rij van fenomenen van
het zwart. Ze had wel attributen, bijvoorbeeld het net. En hoe strakker
het net van het leven door Ananke
werd aangetrokken, hoe minder speelruimte het leven kreeg, en hoe duidelijker
het lot zich dus ging aftekenen. Haar tweede attribuut was de ring, of
de ketting. De ketting was een variant van het net; van de knopen van het
net gat het naar de verketening, vandaar gaat het naar de ketting.... het
lot houdt ons vast als een net en als een ketting en van de ketting gaat
het naar de krans. De krans is de vreugdevolle cirkelvormige ketting,
zij symboliseert de esthetisering, het mooi maken van het lot, wat de opgave
is van de kunst, en als kroon-krans bekroont zij de openbaring van het
lot in de figuur van de voltooiing, die overigens tevens het einde betekent
en de aanvang van een nieuwe cyclus van het lot. De kroon-krans is de definitieve
bepaling, de determinatie van Ananke, maar wie wil dat nou?
MS Fuzzy logics zijn toch heel boeiend, ook in de kunst is fuzzyness
van groot belang het staat invulling toe. Ruimte heeft ten
opzichte van vorm een fuzzy status. In mijn huidige werk wil ik de
polariteit tussen ruimte als ruimte zonder vorm polariseren met een ruimte
met vorm. Een ruimte zonder vorm komt slecht voor als een kleur. Cyberspace
zonder vorm is een oerruimte
die eruitziet als kleur, de kleur zwart. MS maar ja vorm en kleur verschillen
toch wezenlijk van elkaar. Een vorm zonder kleur is
ondenkbaar, terwijl een kleur wel zonder vorm kan worden gedacht. Beweeg
je maar eens door een zeer dichte mist, dan zie je de kleur wit als netvliesvullend,
zoals ik dat ook heb beschreven in de http://www.xs4all.nl/~sjardijn/texts
tekst over het kleursysteem.
+ Ik hoop zo spoedig mogelijk te antwoorden in deel II +
Martin Sjardijn Den Haag 6 juni 1998