"Waarom heb ik het hier gedaan? In de eerste plaats omdat ik sowieso dit experiment wilde gaan doen. Ik had daar aanvankelijk een experimentele subsidie voor gevraagd, hier bij de gemeente in Den Haag. Toen las ik dat Bob Bonies (de directeur van de Vrije Academie. red.) kunstenaars de mogelijkheid gaf tot experimenteren. Als iemand ruimte biedt tot experiment, en niet van te voren vraagt wat je gaat doen dan is dat voor mij een goede uitgangssituatie. Dus ben ik met mijn project naar hem toegestapt en stond ik meteen een stuk sterker want de subsidient geeft liever geen geld aan een project dat ergens op zolder gerealiseerd wordt maar wel in een sociale omgeving. Bonies bood ruimte aan, bood affichedruk aan, registratie op video en film, gebruik van de computer, gebruik van de videoapparatuur hier. Bonies is op de hoogte van mijn werk want hij heeft zelf in commissies gezeten waar ik subsidieaanvragen voor heb gedaan, dan zat hij aan de andere kant van de tafel. Maar in dat stadium kon men mij formeel geen subsidie geven. Ze wisten gewoon niet waar ik het over had, ze begrepen het niet, of durfden niet. Ik had het over het begrip ruimte, en dat dat begrip cultureel bepaald wordt."
Na een periode van "gefaked Expressionisme" van rond 1980 komt
Martin Sjardijn langs simulaties (waarin hij reproducties van
bekende meesters als Eduard Hopper en Francis Bacon overschil
derde) terecht in een periode waarin hij besluit gebruik te
willen maken van de werkelijke, vier-dimensionale ruimte. Hij
stelt het Praktijkburo Beeldende kunst voor "een idee van
visuele kwaliteit te ontwikkelen in een ruimtelijke context
zoals die zich heden ten dage aanbiedt", en komt tot het idee "A
line in outer space is visible with the naked eye." Het praktijkburo
wees zijn idee voor een honder meter lange lijn van hoogre
flecterend gruis in de ruimte als concept af.
"Ik stelde toen voor aan dat Praktijkburo dat ruimtebegrip
verder te onderzoeken en bij te stellen. Maar toen kwamen zij
aan met het begrip genius loci. ik dacht daarbij ook aan het
begrip locomotief of locomotion of locomoveren. Als je nou het
begrip movere of moveren er achter zou zetten, dan is genius
loci iets dat gewoon beweegt. Zij antwoordden:
...Op aarde valt genoeg te verdienen..., ongelofelijk maar waar.
Maar ik denk dat een dergelijk bureau aan de verruiming ven
het ruimtebegrip zal moeten geloven. Vroeger stelden ze kunst in
relatie tot de gebouwde omgeving. Nu zeiden ze ineens kunst in
relatie tot de omgeving. Dat begrip omgeving is dus ook aan
verandering onderhevig. Ik denk dat wij omgeving nu, met continu
een aantal ruimtevaarders die rond de aarde cirkelen, anders
ervaren dan vroeger. Je hebt het over de omgeving van de aarde,
tegenwoordig. Ik denk dat je verplicht bent om op die schaal te
denken. als je het hebt over milieu, over ontwikkelingen op
technologisch en communicatief gebied, of via de televisie.
Alles heeft te maken met omgeving op mondiale schaal. Je kunt in
de kunst niet gewoon achter een ezel blijven staan of net doen
alsof de omgeving een omgeving is van een klein netwerk van
architecten in relatie tot het praktijkburo. Ik begrijp wel dat
de portemonnaie uiteindelijk ook een soort omgeving is."
In het lokaal dat Martin mocht gebruiken, was vrijwel de hele
ruimte gevuld met een groot glimmend gevaarte. Om de opstel-
lingsruimte lichtdicht te krijgen had Sjardijn een soort folie
over een houten geraamte gespannen. In de voorwand hiervan was
een aantal sneden aangebracht, waardoor men de opstelling binnen
kon zien. Binnen werd een aantal draadvormige objecten belicht
door een ultraviolet TL-buis. De wanden waren zwart. Er was niks
dan deze objecten, onpeilbaar of ze nu groot of klein dichtbij
danwel veraf waren. Deze voorwerpen roteerden, om een punt
ergens dicht bij hun middelpunt of buiten het voorwerp zelf. Dan
wennen de ogen aan het donker en worden langzaam vouwen en
andere vormen zichtbaar in de wanden die zo de illusie van
absolute ruimtelijkheid verstoren.
Het is ook maar een tijdelijke opstelling. uiteindelijk
zijn dit soort kunstvormen alleen maar mogelijk in het vrije,
het heelal, waar er werkelijke ruimte is. Daar zouden deze
dingen roteren en zweven zonder touwtjes, en de beschouwer ook.
"Een Ockels of andere mensen uit de ruimtevaart, die
begrijpen dat veel beter. Je ziet in die ruimtevaart,
dat zei Wubbo Ockels ook wel, dat ze opgeleid worden tot robots.
Ockels interesseert zich voor kunst omdat daarin voor hem een
vrijheid zit. Ik denk dat de relatie tussen kunst en technologie
van essentieel belang is, anders zou ik niet doen wat ik doe.
Nou is dat wel eerder gebeurd, ik neem aan dat de mensen van de
Stijl en het Bauhaus, de suprematisten ook hiermee bezig waren.
Ik geloof dat we allemaal wel postmodern zijn te noemen in
die zin dat we na Gagarin, of na misschien de kubisten, in een
soort versnelling zijn geraakt. ik denk nu dat we een soort
zwerm van sprinkhanen zijn die steeds hoger willen springen om
van de aarde af te komen en uiteindelijk, ons gewoon echt gaan
vestigen in de ruimte. Op zo een soort kruispunt van beschaving
verkeren wij nu. Misschien zou je de aarde nu in zijn totaliteit
tot museum moeten verklaren. Om nog te redden wat er te redden
valt. En dan overal conservatoren neerzetten die het milieu gaan
bewaken, in het Amazonegebied zetten we suppoosten. De eenvoudi
ge dagelijkse activiteiten zouden zich op de maan, of op Jupiter
moeten afspelen op een leefbare plek.
In die zin zijn we postmodern. In de moderne gedachte was
dat nog niet zo. Alhoewel, misschien was dat wel niet helemaal
zo. Joost Baljeu bedoelt met modern gewoon nu! Dus eigentijds, in het nu levend,
het nu vertegenwoordigend. Dat is voor hem modern.
Het is het nu in beweging, dus continu is het een bewegend
feit, dat moment. En dat nu kan harmonisch meebewegen in de
ruimte en in de tijd, met de cultuur. Of het kan disharmoniëren
en tegenwerken, zaken veroorzaken die niet heilzaam zijn.
Bijvoorbeeld in '33 in Duitsland. Het nu in de kunst en in de
politiek was gewoon disharmonisch daar, dat was waanzin. Ik denk
dus het erom gaat of je in het nu, dat is voor iedereen natuur-
lijk een eigen beslissing en ontwikkeling en beschavingsgraad,
harmonisch ten opzichte van je omgeving kunt staan, en in
hoeverre je ethisch kunt verantwoorden wat je doet. Want daar
gaat het uiteindelijk om, in hoeverre je ook kunt inschatten wat
de gevolgen zijn van de handelingen die je verricht. En dat is
misschien nog het moeilijkste.
Een vriend van mij is psycholoog, ik zei tegen hem dat
kunst eigenlijk een wetenschap is. Als je echt kunst bedrijft,
op een gegeven moment, dan wordt het wetenschap. Maar hij zei:
"Met psychologie is het zo, je begint als wetenschapper en het
wordt op een gegeven moment een kunst." Dat is dus tegengesteld
aan elkaar. Hij bedrijft kunst en ik probeer wetenschap te
bedrijven.
Een voordeel als kunstenaar is dat je allerlei grote
twijfels in jezelf redelijk kunt overwinnen die te maken hebben
met status, omdat uiteindelijk kunst een vorm is waardoor je
behoorlijk leert door een heleboel fa‡ades heen te zien in de
maatschappij. Ik denk dat heel veel mensen verschrikkelijk
onderhevig zijn aan de meest geraffineerde facadebouwwerken of
versluieringen zou je kunnen zeggen.
"Wat niet zegbaar is, zichtbaar is het wel. Je kunt wel proberen
om in wiskundige formules, wat ik ook taal vind, proberen dingen
te zeggen over het ‚‚n en het ander en tot een conclusie te
komen maar dat noem ik staketseltaal. Wiskundige formules, en
dus ook taal, maar misschien is wiskunde wat precieser en
doeltreffender, de taal heeft meer mogelijkheden natuurlijk,
meer fantasie, met alle gevaren ook van dien natuurlijk, maar
het blijft mager.
Het lijkt ook of taal voor een belangrijk deel gebruikt
wordt voor instructies. In het kunstbedrijf, in het discourse
van de kunst. We spreken nu van een discourse in de kunst. Het
is nu zo dat kunstenaars, kunstwetenschappers en alles wat
met kunst samenhangt meer samenwerken. Je zou kunnen zeggen
een netwerk vormen. Over het algemeen zijn de kunstwetenschap
pers of -intellectuelen gespecialiseerd in taal, want hun
belangrijkste middel of mogelijkheid van communicatie bevindt
zich op het gebied van taal. Kunstwetenschappers of -critici
kunnen vanwege hun maatschappelijke positie van groot belang
zijn voor kunstenaars. Heel gevaarlijk vind ik het dat kunste
naars het belangrijk vinden dat hun werk bij de kunstintellectuelen,
die in een beschermd soort milieu zijn opgegroeid,
aanslaat, of begrepen wordt. Als er een kunsttheorie ontwikkeld
wordt door kunstintellectuelen, wat de laatste tijd heel gebrui
kelijk is - ik spreek trouwens alleen maar over deze tijd - dan
zie je dat kunstenaars dat volgen en zich er direct door laten
inspireren.
Ik meen dat hoe ik tot gedachten kom helemaal niet zo
bijzonder is omdat dat waarschijnlijk heel voordehandliggend is.
Meestal stop je die gedachten meteen onder de tafel omdat ze
geen enkel economisch nut dienen. In de kunst gaat het erom die
gedachten nou eens niet onder de tafel te stoppen maar om ze toe
te laten. Om die ook te gaan te ontwikkelen, hoe dat dan ook
biomechanisch in zijn werk gaat. Daarvan heb je geleerd dat ze
niet maatschappij relevant zijn. Je kunt een techniek ontwikke-
len waarbij je juist denkt: "Nou die biomechanisch ontwikkelde
gedachtenspinsels, of -beelden, die ga ik nu eens lekker wel de
moeite waard vinden." De mens krijgt door de maatschappij een
soort gene voor zijn eenvoud opgedrongen.
Je probeert om jezelf in een positie te manouvreren waarin
je het comfortabel hebt. Die neiging heb je, ik slaap ook het
liefst uit in plaats van vroeg op te staan. Maar je kunt er ook
aan werken omdat terug te dringen door wel vroeg op te staan ook
al is dat niet altijd even prettig. Zo is het ook met die
eenvoudige gedachten.
Ik heb ontdekt dat ik in een zeker stadium in een soort
narcistische vicieuse cirkel terecht gekomen was. Ik wist wat
een meesterwerk was, want dat had ik gezien bij een aantal zeer
door mij bewonderde kunstenaars. Als kunstenaar wil je dat
natuurlijk zelf ook kunnen maken. Je wilt zoiets leveren. Je
eerzucht wordt dan gestreeld of aangeraakt, je wilt zelf ook tot
zo'n prestatie komen. Vervolgens ga je beginnen en dan kijk je
naar je eigen hand, dan doop je die hand, met een kwast in de
verf, en dan ga je met die kwast in de hand waar je naar kijkt
naar het doek. Dan ga je als het ware kijken of jouw hand in
staat is jouw oog zodanig in vervoering te brengen dat je zegt:
"Hee, dit is een meesterwerk." dat is een soort vicieuse cirkel
die zich bevindt tussen deze boog (wijst van vingers langs
gebogen arm naar ogen). Dat is je reinste narcisme, je houdt
jezelf een spiegel voor via een vrij gecompliceerde motorische
actie. Terwijl als je zelf in de spiegel kijkt dan zie je al dat
het geen meesterwerk is, of wel als je een goede bui hebt. En
dan ga je het ook nog eens een keer zelf proberen. Dat lukt dus
nooit. Want op het moment dat je dat meesterwerk gemaakt hebt
ben je er al aan gewend. Omdat je het helemaal, stapje voor
stapje, hebt zien groeien.
Maar je kunt er overheen komen, die narcistische fase, ik
denk ook dat je er overheen moet komen, althans, ik heb het niet
als prettig ervaren, want het is een ramp om jezelf steeds maar
een spiegel voor te houden waarin je alleen maar lelijke dingen
doet en nooit tot meesterwerken geraakt. Het is mogelijk dat je
zelf iets kunt doen waarvan je afstand kunt nemen zodat ineens
die lucht daar komt en die spiegel breekt. Je maakt iets en dat
kan zelfstandig functioneren. Dat is een sociaal-artistiek
proces. Op een gegeven moment ben je aan het punt gekomen dat a)
het kan je niks meer schelen dat je in een isolement zit en b)
je hebt geaccepteert dat je niet tot een meesterwerk in staat
bent. Op dat moment blijkt dat er nog genoeg overblijft. Dat was
in mijn geval dan kijken naar sterren waar ik aanvankelijk heel
bang was om lang naar die grote leegte te kijken. Want ik had
twintig jaar geschilderd en een eigen cultuur opgebouwd. En de
natuur te zien, waar niks te zien was van al die beslommeringen
binnen het discourse van de kunst was een schok. Als je naar de
sterren kijkt dan zie je helemaal niks van al die kunstlitera-
tuur. Helemaal niks, dat is het grootste lege gat wat er is.
Maar zolang je horizontaal blijft kijken dan barst het van (oninteressante)
kunst, cultuur en weet ik niet allemaal wat aan overdaad."
Martin wijst op een condensstreep in de lucht van de binnen plaats van de academie. "Kijk, dat hadden ze niet in vorige eeuwen, dat is nu. Het is toch iets moois. Je moet je het voorstellen: op zo een hoogte zomaar een streep."
- Thomas van Putten