In de maand februari van dit jaar (1989) voerde Martin Sjardijn zijn project "Vier Dimensies" uit in de Vrije Academie in Den Haag.
Hij hield daarbij een serie van acht lezingen of gesprekken, variërend van onderwerp van "over imitatie en authenticiteit" tot "Over de waarde van taal als zingever van de beeldende kunst". Op 28 februari opende hij zijn experimentele installatie die hij in een lokaal tijdens die maand had opgebouwd.

"Waarom heb ik het hier gedaan? In de eerste plaats omdat ik sowieso dit experiment wilde gaan doen. Ik had daar aanvankelijk een experimentele subsidie voor gevraagd, hier bij de gemeente in Den Haag. Toen las ik dat Bob Bonies (de directeur van de Vrije Academie. red.) kunstenaars de mogelijkheid gaf tot experimenteren. Als iemand ruimte biedt tot experiment, en niet van te voren vraagt wat je gaat doen dan is dat voor mij een goede uitgangssituatie. Dus ben ik met mijn project naar hem toegestapt en stond ik meteen een stuk sterker want de subsidient geeft liever geen geld aan een project dat ergens op zolder gerealiseerd wordt maar wel in een sociale omgeving. Bonies bood ruimte aan, bood affichedruk aan, registratie op video en film, gebruik van de computer, gebruik van de videoapparatuur hier.    Bonies is op de hoogte van mijn werk want hij heeft zelf in commissies gezeten waar ik subsidieaanvragen voor heb gedaan, dan zat hij aan de andere kant van de tafel. Maar in dat stadium kon men mij formeel geen subsidie geven. Ze wisten gewoon niet waar ik het over had, ze begrepen het niet, of durfden niet. Ik had het over het begrip ruimte, en dat dat begrip cultureel bepaald wordt."

Na een periode van "gefaked Expressionisme" van rond 1980 komt Martin Sjardijn langs simulaties (waarin hij reproducties van bekende meesters als Eduard Hopper en Francis Bacon overschil derde) terecht in een periode waarin hij besluit gebruik te willen maken van de werkelijke, vier-dimensionale ruimte. Hij stelt het Praktijkburo Beeldende kunst voor "een idee van visuele kwaliteit te ontwikkelen in een ruimtelijke context zoals die zich heden ten dage aanbiedt", en komt tot het idee "A line in outer space is visible with the naked eye." Het praktijkburo wees zijn idee voor een honder meter lange lijn van hoogre flecterend gruis in de ruimte als concept af.
   "Ik stelde toen voor aan dat Praktijkburo dat ruimtebegrip verder te onderzoeken en bij te stellen. Maar toen kwamen zij aan met het begrip genius loci. ik dacht daarbij ook aan het begrip locomotief of locomotion of locomoveren. Als je nou het begrip movere of moveren er achter zou zetten, dan is genius loci iets dat gewoon beweegt. Zij antwoordden: ...Op aarde valt genoeg te verdienen..., ongelofelijk maar waar.
   Maar ik denk dat een dergelijk bureau aan de verruiming ven het ruimtebegrip zal moeten geloven. Vroeger stelden ze kunst in relatie tot de gebouwde omgeving. Nu zeiden ze ineens kunst in relatie tot de omgeving. Dat begrip omgeving is dus ook aan verandering onderhevig. Ik denk dat wij omgeving nu, met continu een aantal ruimtevaarders die rond de aarde cirkelen, anders ervaren dan vroeger. Je hebt het over de omgeving van de aarde, tegenwoordig. Ik denk dat je verplicht bent om op die schaal te denken. als je het hebt over milieu, over ontwikkelingen op technologisch en communicatief gebied, of via de televisie. Alles heeft te maken met omgeving op mondiale schaal. Je kunt in de kunst niet gewoon achter een ezel blijven staan of net doen alsof de omgeving een omgeving is van een klein netwerk van architecten in relatie tot het praktijkburo. Ik begrijp wel dat de portemonnaie uiteindelijk ook een soort omgeving is."

In het lokaal dat Martin mocht gebruiken, was vrijwel de hele ruimte gevuld met een groot glimmend gevaarte. Om de opstel- lingsruimte lichtdicht te krijgen had Sjardijn een soort folie over een houten geraamte gespannen. In de voorwand hiervan was een aantal sneden aangebracht, waardoor men de opstelling binnen kon zien. Binnen werd een aantal draadvormige objecten belicht door een ultraviolet TL-buis. De wanden waren zwart. Er was niks dan deze objecten, onpeilbaar of ze nu groot of klein dichtbij danwel veraf waren. Deze voorwerpen roteerden, om een punt ergens dicht bij hun middelpunt of buiten het voorwerp zelf. Dan wennen de ogen aan het donker en worden langzaam vouwen en andere vormen zichtbaar in de wanden die zo de illusie van absolute ruimtelijkheid verstoren.
Het is ook maar een tijdelijke opstelling. uiteindelijk zijn dit soort kunstvormen alleen maar mogelijk in het vrije, het heelal, waar er werkelijke ruimte is. Daar zouden deze dingen roteren en zweven zonder touwtjes, en de beschouwer ook.    "Een Ockels of andere mensen uit de ruimtevaart, die begrijpen dat veel beter. Je ziet in die ruimtevaart, dat zei Wubbo Ockels ook wel, dat ze opgeleid worden tot robots. Ockels interesseert zich voor kunst omdat daarin voor hem een vrijheid zit. Ik denk dat de relatie tussen kunst en technologie van essentieel belang is, anders zou ik niet doen wat ik doe. Nou is dat wel eerder gebeurd, ik neem aan dat de mensen van de Stijl en het Bauhaus, de suprematisten ook hiermee bezig waren.
   Ik geloof dat we allemaal wel postmodern zijn te noemen in die zin dat we na Gagarin, of na misschien de kubisten, in een soort versnelling zijn geraakt. ik denk nu dat we een soort zwerm van sprinkhanen zijn die steeds hoger willen springen om van de aarde af te komen en uiteindelijk, ons gewoon echt gaan vestigen in de ruimte. Op zo een soort kruispunt van beschaving verkeren wij nu. Misschien zou je de aarde nu in zijn totaliteit tot museum moeten verklaren. Om nog te redden wat er te redden valt. En dan overal conservatoren neerzetten die het milieu gaan bewaken, in het Amazonegebied zetten we suppoosten. De eenvoudi ge dagelijkse activiteiten zouden zich op de maan, of op Jupiter moeten afspelen op een leefbare plek.
   In die zin zijn we postmodern. In de moderne gedachte was dat nog niet zo. Alhoewel, misschien was dat wel niet helemaal zo. Joost Baljeu bedoelt met modern gewoon nu! Dus eigentijds, in het nu levend, het nu vertegenwoordigend. Dat is voor hem modern.
   Het is het nu in beweging, dus continu is het een bewegend feit, dat moment. En dat nu kan harmonisch meebewegen in de ruimte en in de tijd, met de cultuur. Of het kan disharmoniëren en tegenwerken, zaken veroorzaken die niet heilzaam zijn. Bijvoorbeeld in '33 in Duitsland. Het nu in de kunst en in de politiek was gewoon disharmonisch daar, dat was waanzin. Ik denk dus het erom gaat of je in het nu, dat is voor iedereen natuur- lijk een eigen beslissing en ontwikkeling en beschavingsgraad, harmonisch ten opzichte van je omgeving kunt staan, en in hoeverre je ethisch kunt verantwoorden wat je doet. Want daar gaat het uiteindelijk om, in hoeverre je ook kunt inschatten wat de gevolgen zijn van de handelingen die je verricht. En dat is misschien nog het moeilijkste.
   Een vriend van mij is psycholoog, ik zei tegen hem dat kunst eigenlijk een wetenschap is. Als je echt kunst bedrijft, op een gegeven moment, dan wordt het wetenschap. Maar hij zei: "Met psychologie is het zo, je begint als wetenschapper en het wordt op een gegeven moment een kunst." Dat is dus tegengesteld aan elkaar. Hij bedrijft kunst en ik probeer wetenschap te bedrijven.
   Een voordeel als kunstenaar is dat je allerlei grote twijfels in jezelf redelijk kunt overwinnen die te maken hebben met status, omdat uiteindelijk kunst een vorm is waardoor je behoorlijk leert door een heleboel fa‡ades heen te zien in de maatschappij. Ik denk dat heel veel mensen verschrikkelijk onderhevig zijn aan de meest geraffineerde facadebouwwerken of versluieringen zou je kunnen zeggen.

"Wat niet zegbaar is, zichtbaar is het wel. Je kunt wel proberen om in wiskundige formules, wat ik ook taal vind, proberen dingen te zeggen over het ‚‚n en het ander en tot een conclusie te komen maar dat noem ik staketseltaal. Wiskundige formules, en dus ook taal, maar misschien is wiskunde wat precieser en doeltreffender, de taal heeft meer mogelijkheden natuurlijk, meer fantasie, met alle gevaren ook van dien natuurlijk, maar het blijft mager.
   Het lijkt ook of taal voor een belangrijk deel gebruikt wordt voor instructies. In het kunstbedrijf, in het discourse van de kunst. We spreken nu van een discourse in de kunst. Het is nu zo dat kunstenaars, kunstwetenschappers en alles wat met kunst samenhangt meer samenwerken. Je zou kunnen zeggen een netwerk vormen. Over het algemeen zijn de kunstwetenschap pers of -intellectuelen gespecialiseerd in taal, want hun belangrijkste middel of mogelijkheid van communicatie bevindt zich op het gebied van taal. Kunstwetenschappers of -critici kunnen vanwege hun maatschappelijke positie van groot belang zijn voor kunstenaars. Heel gevaarlijk vind ik het dat kunste naars het belangrijk vinden dat hun werk bij de kunstintellectuelen, die in een beschermd soort milieu zijn opgegroeid, aanslaat, of begrepen wordt. Als er een kunsttheorie ontwikkeld wordt door kunstintellectuelen, wat de laatste tijd heel gebrui kelijk is - ik spreek trouwens alleen maar over deze tijd - dan zie je dat kunstenaars dat volgen en zich er direct door laten inspireren.
   Ik meen dat hoe ik tot gedachten kom helemaal niet zo bijzonder is omdat dat waarschijnlijk heel voordehandliggend is. Meestal stop je die gedachten meteen onder de tafel omdat ze geen enkel economisch nut dienen. In de kunst gaat het erom die gedachten nou eens niet onder de tafel te stoppen maar om ze toe te laten. Om die ook te gaan te ontwikkelen, hoe dat dan ook biomechanisch in zijn werk gaat. Daarvan heb je geleerd dat ze niet maatschappij relevant zijn. Je kunt een techniek ontwikke- len waarbij je juist denkt: "Nou die biomechanisch ontwikkelde gedachtenspinsels, of -beelden, die ga ik nu eens lekker wel de moeite waard vinden." De mens krijgt door de maatschappij een soort gene voor zijn eenvoud opgedrongen.
   Je probeert om jezelf in een positie te manouvreren waarin je het comfortabel hebt. Die neiging heb je, ik slaap ook het liefst uit in plaats van vroeg op te staan. Maar je kunt er ook aan werken omdat terug te dringen door wel vroeg op te staan ook al is dat niet altijd even prettig. Zo is het ook met die eenvoudige gedachten.
   Ik heb ontdekt dat ik in een zeker stadium in een soort narcistische vicieuse cirkel terecht gekomen was. Ik wist wat een meesterwerk was, want dat had ik gezien bij een aantal zeer door mij bewonderde kunstenaars. Als kunstenaar wil je dat natuurlijk zelf ook kunnen maken. Je wilt zoiets leveren. Je eerzucht wordt dan gestreeld of aangeraakt, je wilt zelf ook tot zo'n prestatie komen. Vervolgens ga je beginnen en dan kijk je naar je eigen hand, dan doop je die hand, met een kwast in de verf, en dan ga je met die kwast in de hand waar je naar kijkt naar het doek. Dan ga je als het ware kijken of jouw hand in staat is jouw oog zodanig in vervoering te brengen dat je zegt: "Hee, dit is een meesterwerk." dat is een soort vicieuse cirkel die zich bevindt tussen deze boog (wijst van vingers langs gebogen arm naar ogen). Dat is je reinste narcisme, je houdt jezelf een spiegel voor via een vrij gecompliceerde motorische actie. Terwijl als je zelf in de spiegel kijkt dan zie je al dat het geen meesterwerk is, of wel als je een goede bui hebt. En dan ga je het ook nog eens een keer zelf proberen. Dat lukt dus nooit. Want op het moment dat je dat meesterwerk gemaakt hebt ben je er al aan gewend. Omdat je het helemaal, stapje voor stapje, hebt zien groeien.
   Maar je kunt er overheen komen, die narcistische fase, ik denk ook dat je er overheen moet komen, althans, ik heb het niet als prettig ervaren, want het is een ramp om jezelf steeds maar een spiegel voor te houden waarin je alleen maar lelijke dingen doet en nooit tot meesterwerken geraakt. Het is mogelijk dat je zelf iets kunt doen waarvan je afstand kunt nemen zodat ineens die lucht daar komt en die spiegel breekt. Je maakt iets en dat kan zelfstandig functioneren. Dat is een sociaal-artistiek proces. Op een gegeven moment ben je aan het punt gekomen dat a) het kan je niks meer schelen dat je in een isolement zit en b) je hebt geaccepteert dat je niet tot een meesterwerk in staat bent. Op dat moment blijkt dat er nog genoeg overblijft. Dat was in mijn geval dan kijken naar sterren waar ik aanvankelijk heel bang was om lang naar die grote leegte te kijken. Want ik had twintig jaar geschilderd en een eigen cultuur opgebouwd. En de natuur te zien, waar niks te zien was van al die beslommeringen binnen het discourse van de kunst was een schok. Als je naar de sterren kijkt dan zie je helemaal niks van al die kunstlitera- tuur. Helemaal niks, dat is het grootste lege gat wat er is. Maar zolang je horizontaal blijft kijken dan barst het van (oninteressante) kunst, cultuur en weet ik niet allemaal wat aan overdaad."

Martin wijst op een condensstreep in de lucht van de binnen plaats van de academie. "Kijk, dat hadden ze niet in vorige eeuwen, dat is nu. Het is toch iets moois. Je moet je het voorstellen: op zo een hoogte zomaar een streep."

- Thomas van Putten